Utrecht, donderdag 30 september, 15.30
september 30th, 2010Ik loop de winkel uit; brood aan het plastic geklemd tussen mijn vuist, een fles kefir onder mijn arm, een pot honing balanceert op het brood en wordt tegen mijn andere arm geduwd door een papieren zak met wortels. Ondertussen probeer ik met mijn andere hand -waarin ik een zak appels van een kilo heb- mijn fietstas open te klappen. Eigenlijk zag ik ze toen al, glinsterend in de regen, leunend tegen een houten paaltje. Aan elkaar gemaakt met een stukje doorzichtig plakband staan ze daar, als een hanggroep; aan de kant, maar toch net in de weg, niets doend en toch opvallend aanwezig.
Toch stap ik een moment later op mijn fiets en ik realiseer me pas 100, 200 meter verderop dat ik ze zag. Ga ik terug? Zou het echt zo zijn dat? Ik twijfel, fiets nog zeker 100 meter verder door en dan draai ik om. Onhandig manoeuvreer ik met mijn fiets en mijn fietstassen vol boodschappen tussen de voetgangers en fietsers door terug naar dat bosje. Dat bosje zwarte hoeken met glinsterende haken dat aan de overkant van de weg stond. Zouden ze er nog staan? Zou ik?
Voordat ik het me realiseer ben ik gestopt, heb ik mijn fiets weer op het slot gezet en sta ik in een winkel vol lederen jassen. Een man belt, semi-agressief en toch vriendelijk, met een persoon aan de andere kant van de lijn. Waarschijnlijk een leverancier. Hij belt met een ouderwetse telefoon -grijs, met draaischijf- en bestelt geen camel jas in M. Als hij ophangt deel ik hem mee dat ze daar staan, buiten op straat in de regen. Hij weet het, zegt hij. Anders zouden ze in een vuilniszak verdwijnen. Dus ik kan…? Ja, natuurlijk. Want ik organiseer zondag aanstaande een ruil en... En neem deze ook maar mee. Glimlachend loop ik naar buiten, verplaats wat boodschappen en fiets met een tas vol natte hangers naar huis.